Doordat een leraar van de Hogeschool van Amsterdam onlangs heeft besloten vrouwen geen hand meer te geven is de discussie over het wel of niet handen schudden weer opgelaaid. Afgezien van het feit dat de keuze van deze meneer indruist tegen de algemene gewoonten die wij in ons land hebben, stelt het ook een principiële vraag ter discussie: Hoever mag iemand gaan met het uitoefenen, of het juist niet uitoefenen, van een daad? Oftewel, in dit specifieke geval. Prevaleren de normen en waarden in onze samenleving boven de vrijheid van deze meneer om de hand te weigeren?
Het antwoord op deze vraag is in de publieke opinie zonneklaar: Het geven van een hand is een onderdeel van ons maatschappelijk samenzijn waar niemand aan ontkomt. Toch levert dit fenomeen onderhuids enige wrijving op, omdat het indruist tegen het eveneens in onze samenleving diepgewortelde vrijheidsgevoel, dat iedereen zelf mag bepalen wat men wel of niet doet. Men is dus op zoek gegaan naar een legitimiteit om de vrijheid van de ‘handenschudweigeraar’ te ondermijnen. De gevonden oplossing is echter een verkeerde.
Feit is nu eenmaal dat wij, uit onze overlevering, in deze contreien van de aardbol hebben besloten elkaar een hand te geven bij wijze van begroeting. Als een persoon dus afwijkt van dit patroon breekt dit met onze gewoonten en wordt dit als onwenselijk ervaren. Ondanks het feit dat een buiging, een vriendelijke knik of een schouderklop ook goed dienst kunnen doen als begroeting, wordt het weigeren van een hand getypeerd als minachtend en disrespectvol.
Onze vrijheidsintuïtie is echter zo diepgeworteld dat er een compromis is gekomen. Iedereen die de hand wil weigeren staat daarin vrij, tenzij diegene te maken heeft met een overheidsdienst. Onder het dak van de overheid dient iedereen, werknemer, dan wel overheidsgebruiker, een hand te schudden. De legitimiteit om dit af te dwingen komt voort door te stellen dat wij hier vast houden aan de scheiding tussen Kerk en Staat.
Door de scheiding tussen Kerk en Staat te gebruiken om het geven van een hand af te dwingen ga je voorbij aan een paar zaken. Ten eerste is het verkeerd omwille van het feit dat deze scheiding selectief wordt toegepast. Met de winkeltijdenwet, welke zondagsopenstelling verbiedt, zijn we veel minder stringent en ten tweede treft dit alleen de ‘handenschudweigeraars’ met religieuze motieven. Door het aan de scheiding van Kerk en Staat te koppelen, verliest het juist de legitimiteit die het nodig heeft.
De scheiding tussen Kerk en Staat is weliswaar een makkelijke kapstok, maar niet de houtsnijdende die nodig is. Er is maar één mogelijkheid wat het handen schudden wel kan legitimeren en dat is in zekere zin de afname van de vrijheid van de ‘handenschudweigeraar’. Door deze vrijheid als negatief te typeren begeef je je niet op glad ijs en ben je helder.
Handen geven moet in onze maatschappij. Punt. En de vrijheid? Die vrijheid kan je alleen toepassen als het de vrijheid van een ander niet beperkt. En handen schudden doe je nu eenmaal niet alleen.
Adam Elzakalai