Vakantie

6 aug 2010 | Adam Elzakalai

 

Vakantie.

 

Het is weer vakantietijd. Hele families trekken erop uit om hun welverdiende rust te zoeken na maanden hard werken. Vaak is zo'n vakantie zelf ook een aanslag op je menswaardigheid daar je vaak als olifanten de Route du Soleil naar het zuiden afreist, in de regen je voortent opbouwt en daarna met krijsende kinderen, altijd van anderen, 3 weken aan het zwambad van de camping hangt.

 

Nu ben ik geen kampeerder. Ik was het vroeger wel en was dan één van die krijsende kinderen aan het zwembad. Mijn ouders konden op een één of andere manier elk jaar weer de moed vinden om naar het zuiden van Frankrijk af te dalen.

 

Nu houd ik wel van enig primitivisme, continu je vakantie doorbrengen in de stijfheid van een 5 sterren hotel vergt ook veel van me. Je kan nooit eens buiten de band springen omdat je anders met de nek wordt aangekeken. Met dat vergeleken is een camping natuurlijk ideaal. Iedereen doet wat ie wil doen, én het leuke van kamperen is dat je iedereen een naam geeft. Althans dat vond ik vroeger leuk.

 

Nu ik wat jaartjes ouder ben en wat serieuzer probeer te zijn is mijn ideale vakantie eigenlijk een combinatie beiden. Ik breng nog steeds graag mijn vakanties door in Frankrijk. Ik blijf het een schitterend land vinden en ben dan het liefst een paar dagen in een stil dorpje met één hooguit twee hotelletjes, een Tabac die tevens dienst doet als postkantoor, café en fietsenmaker en uiteraard een centraal plein waar de heren op leeftijd met een fles rode landwijn binnen handbereik een potje pétanque spelen.

 

Ik kan dan heerlijk wegdromen met een goed boek en een pastis over de dingen in het leven. De zon die af en toe wordt verdreven door een schaapachtig wolkje is dan de enige smet op de dag. De duiven pikken op het marktplein en de ober zit tevens op een stoel met een glas cola voor zich te genieten van zijn Gitanes.

 

Én dan gebeurt het, iets wat mij altijd overkomt als ik mij volledig alleen waan op een vergeten plek. Ik hoor stemmen. Ik kan verstaan wat ze zeggen maar ik wil het juist daarom niet horen. Ik kijk in de richting van de gotische Notre Dame op het "Place d'église" en zie daar de bevestiging. Vier personen, overduidelijk een gezin. Meneer met sandalen én witte sokken én een heuptas, mevrouw met een gele jurk met daaronder een bikini, een meisje van een jaar of 14 die verveeld kauwgum kauwend achter hen aanloopt en een jongen van een jaar of elf met een Ajax shirt en wie met name verantwoordelijk is voor de verstoring van mijn rust door zijn geschreeuw


En wederom stel ik mijzelf de vraag, waarom erger ik mijzelf aan mijn landgenoten als ik niet thuis ben? Hoe kan het toch, dat ik volgens mij op de meest afgelegen plek ben, die in geen enkele reisgids te vinden is, ik toch Nederlanders hoor. En waarom heb ik dan in bijna alle gevallen plaatsvervangende schaamte. Ik stel mij zelf vaak deze vraag, omdat ik om een hele onduidelijke reden altijd Nederlanders op vakantie tegen kom. En als ik mij dus ergens aan stoor dan zijn dat Nederlanders op vakantie. Juist vanwege hun gedrag.

 

Het erge van Nederlanders op vakantie vind ik het gedrag dat ze vertonen, een soort van arrogantie. Alles is altijd slechter. Daarom moet alles van thuis worden meegenomen, van hagelslag tot kaas en van wasmiddel tot kruiden. Alsof dat bij de lokale Supermarché niet te halen is?

 

Hoe komt het dat zij altijd opvallen in het buitenland en niet in Nederland. Als ik over het Polderplein loop stoor ik mij er niet aan. Het is niet zo dat ik mijn niet-in-de-reisgids-te-vinden-plekje niet wil delen. Het is de onbeholpenheid van de Nederlander in het buitenland.

 

Het kan natuurlijk zo zijn dat zij in Nederland niet opvallen omdat de hele Nederlandse samenleving ietwat onbeholpen is en dat juist die levenshouding pas opvalt als het omvattende kader, zijnde de maatschappij in Nederland, wegvalt. En juist dat baart me zorgen, we leven blijkbaar met zijn allen in een samenleving die gekenmerkt wordt door onbeholpenheid en het valt ons niet op, omdat we ons allemaal zo gedragen.

 

Nu zal ik de laatste zijn die zal opleggen hoe iemand zich moet gedragen. Hij of zij heeft de vrijheid te doen en te laten wat hij of zij wil zolang mijn vrijheid maar niet met voeten wordt getreden, maar ik kan het niet laten om mijn glas pastis achterover te slaan, een paar euro op tafel te laten liggen en de rust in "mijn" Franse dorpje ergens anders weer op te zoeken. Hopende dat ik nu niet gestoord zal worden, ergens werd zoeven mijn gevoel van vrijheid geschonden.